HISTORIE

Ridderhofstad Woudenberg genaamd Groenewoude
In 1382 wordt Groenewoude voor de eerste keer beleend. Rond dit kasteel is in de Middeleeuwen het dorp Woudenberg ontstaan.
In 1537 wordt het kasteel Groenewoude als ridderhofstad erkend.
De geschiedenis van Groenewoude gaat terug tot het eind van de 14e eeuw. Jan van Groenewoude, rond 1360 burgemeester en schepen van Utrecht, had drie zonen: Willem, Eerst en Jacob. De beide laatste zonen waren evenals hun vader ook burgemeester en schepen van Utrecht. De oudste zoon, Willem van Groenewoude, was in 1383 door de bisschop aangesteld tot kastelein van het bisschoppelijke kasteel Stoutenburg bij Leusden en zal daar hebben geresideerd. Aan dat kasteleinschap was in die tijd ook de lucratieve functie van maarschalk van Eemland verbonden. Tien jaar later blijkt Willem in die functie te zijn opgevolgd door Jacob van Nijevelt. In 1382 werd Willem van Groenewoude door Willem van Gaesbeek, de nieuwe heer van Abcoude en Duurstede, beleend met 34 morgen land in Woudenberg 'met al sulke steenweer als hi daarop timmert'. Uit het bovenstaande citaat kan men opmaken dat genoemde Willem in die tijd bezig of voornemens was een stenen huis te bouwen, waarin hij zich na het beŽindigen van het kasteleinschap kon vestigen. Dit huis werd naar de stichter 'Groenewoude' genoemd. Na het overlijden van Willem is zijn zoon Jan in 1416 met het huis beleend, terwijl zijn moeder Mechtelt Taets Eerstdr. het vruchtgebruik genoot. In 1442 werd het goed verkleind door afsplitsing van de helft van de Daentgenshoeve, waardoor Groenewoude nog anderhalve hoeve (= 25,5 morgen) besloeg.


Jans zoon Johan voegde de familienaam van zijn moeder Elisabeth van der Aa aan zijn naam toe en noemde zich voortaan Van Groenewoude van der Aa. Op 8 april 1453 werd hij door Jacob van Gaesbeek beleend met anderhalve hoeve land 'gelegen in onsen gerichte van Woudenberg op Eyckrijs mit alsulken getymmert als dair op staet geheiten Gruenenwoude, hem aanbestorven van zijn vader Jan van Gruenwoude'. Johan overleed vier jaar later kinderloos. Zowel zijn broer Lubbert van Groenewoude en diens zoon Gerrit als neef Ernst Taets van Amerongen, maakten aanspraak op Groenewoude. Lubbert en Gerrit deden ten gunste van Ernst afstand van Groenewoude, waardoor de twee hoeven weer werden verenigd.
Na het overlijden van Ernst werd in 1474 zijn zoon Johan Taets van Amerongen met Groenewoude beleend, die tien jaar later overleed; zijn enige dochter Johanna erfde Groenewoude. Zij liet Groenewoude bij testament na aan Johan Taets van Amerongen, die het in 1566 naliet aan zijn oudste zoon Willem. Deze was kapitein in het Spaanse leger en sneuvelde in 1573 voor Haarlem. Ook zijn jongste broer Maarten was in dienst van Filips II, terwijl zijn andere broer Sander als vaandrig met koning Sebastiaan van Portugal op veldtocht ging naar Afrika. Na het sneuvelen van Willem Taets van Amerongen werd zijn onmondige zoon Ernst eigenaar. Aangezien hij in 1617 kinderloos overleed, erfde zijn broer Jacob Groenewoude.
Diens zoon Willem, die katholiek bleef, verkocht in 1643 zijn goederen en vertrok naar de Zuidelijke Nederlanden. Koopster was Maria Hondeling, de weduwe van Dirck van Eck van Panthaleon; zij kocht het voor haar zoon Gerard, die van zijn vader reeds Oud-Broekhuizen had geŽrfd. Gerards zoon Bertram, die in 1655 Groenewoude erfde, zou zich in Nijmegen vestigen en verkocht de ridderhofstad in 1670 aan Hendrik ]acob Tuyll van Serooskerke tot Zuylen. Het volgende jaar droeg Jacob Groenewoude over aan Mechteld van Reede, weduwe van Gijsbert van Hardenbroek, die het aankocht om het voor haar zoon Gijsbert Johan mogelijk te maken zijn plaats in de ridderschap van Utrecht te behouden. Gijsbert Johan was echter genoodzaakt Groenewoude in 1682 van de hand te doen. Hij vestigde zich op Hindersteyn, dat hij in datzelfde jaar van zijn moeder had gekregen. Hiermee was hij toch verzekerd van een plaats in de Utrechtse ridderschap.
De nieuwe eigenaar van Groenewoude was Bartholomeus de Gruyter, burgemeester van Utrecht, die reeds in november van 1682 overleed. Zijn weduwe Maria Specx, die met haar kinderen op Groenewoude woonde, heeft het huis verbouwd en in 1696 het nog bestaande bouwhuis gebouwd. Mogelijk omdat de uitgaven hiervoor zo groot waren geweest, deden bij haar overlijden de erven afstand van de erfenis en kochten vervolgens het huis weer terug van de curatoren. In 1782 overleed de kleinzoon van Bartholomeus, eveneens Bartholomeus genaamd, en zijn kleindochter Gerarda Alexandrina Bols erfde de helft van het huis. De andere helft kocht zij van haar broer Louis. Gerarda verkocht Groenewoude in 1836 aan Hendrik DaniŽl Hooft, die enkele jaren eerder Geerestein had verworven. De nieuwe heer van Geerestein, Woudenberg en Groenewoude liet het huis omstreeks 1859 afbreken. Alleen een langgerekt gebouw, dat het jaartal 1696 draagt, bleef gespaard.

Over de vorm van het door Willem van Groenewoude gebouwde huis is niets bekend. Het is niet onaannemelijk dat het oorspronkelijke huis de kern vormde van het huis dat door Roelant Roghman in 1647 werd getekend. Aan de hand van deze tekening en 18e-eeuwse afbeeldingen kan men zich een goed beeld vormen van het kasteel. Groenewoude bestond uit een omgracht huis op een L-vormige plattegrond. Het bezat een begane grond, een kelder en een verdieping onder twee haaks op elkaar staande zadeldaken. De bakstenen trapgevels en de onderling afwijkende vloerniveau's wekken de indruk dat de front- of zuidvleugel waarschijnlijk ouder was dan de oostvleugel. In de op het noordwesten gelegen oksel van het gebouw stond een kleine vierkante traptoren met zadeldak. Aan deze zijde lag een kleine binnenplaats, die vanuit het onderhuis was te bereiken. Deze L-vormige opzet komt, weliswaar gespiegeld, zeer sterk overeen met die van het huis Nieuw-Amelisweerd, dat rond 1395 in bezit was van Jacob van Groenewoude, een broer van de bouwheer van Groenewoude.
Aan het eind van de 17e eeuw werd het huis door de weduwe De Gruyter verbouwd. De uitgebouwde verlaagde torenvormige toegangspoort, nog waarneembaar op de tekening van Roghman uit 1647, werd verwijderd en vervangen door een monumentale natuurstenen ingang met pilasters, bovenlicht en fronton. De vierkante uitbouw tegen de oostgevel werd verhoogd tot een toren van vier bouwlagen onder een tentdak met peerspits. Mogelijk hield de uitbreiding verband met het voorgenomen huwelijk van haar zoon Bartholomeus de Gruyter met Anna van Blankendael in 1697.
Omstreeks het midden van de 19e eeuw blijken het huis en het bouwhuis witgepleisterd te zijn, waaruit we mogen opmaken dat het ten tijde van de Bols nog was veranderd. Het huis zou in 1859 of misschien zelfs later door Hooft zijn afgebroken. Na de afbraak van het huis zijn delen van de omgrachting nog tot 1965 bewaard gebleven, waarna ze zijn gevuld met Woudenbergs huisvuil.
Op de ten zuiden van het huis gelegen voorburcht stonden in 1647, voor zover waarneembaar, twee eenvoudige bijgebouwen, waarvan ťťn het omstreeks 1600 genoemde 'bouhuijs' zal zijn geweest, Het vrij grote voorterrein was toegankelijk via een aan de oostzijde gelegen, nogal gedrongen poortgebouw, waarvan de eindgevels waren voorzien van laat-gotische topgevels. Boven de getoogde poort was een steen met het wapen van Taets van Amerongen aangebracht. Via de brug kwam men op een singel die om het huis en de voorburcht voerde.
Ook de voorburcht is in opdracht van Maria de Gruyter aan het eind van de 17e eeuw gewijzigd. Alle gebouwen op de voorburcht werden afgebroken en aan de westzijde, met de rug naar de Ekris gekeerd, verrees het nog bestaande langgerekte dienstgebouw uit 1696. De toegang tot het voorplein werd verlegd naar de zuidzijde, zodat vanaf de ingang een centrale as naar de nog bestaande oost-westgerichte laan voerde. Deze laan werd aan de zijde van de Ekris voorzien van het nog aanwezige monumentale smeedijzeren spijlenhek tussen gepleisterde bakstenen kolommen, bekroond met een geprofileerd stuk hardsteen.
De laatstgenoemde laan vormde de zuidelijke begrenzing van de 34 morgen, waarmee Willem van Groenewoude in 1382 werd beleend. Ze vormen twee langgerekte evenwijdige kavels of hoeven in de uit het midden van de 13e eeuw daterende cope-ontginning Woudenberg. De ontginning werd, zoals we kunnen lezen in een leenakte van 1442, in het oosten begrensd door de Zeggedijk en in het westen door de - aan de overzijde van de Ekris gelegen - Verloren Wetering, die we met enige moeite in het veld kunnen herkennen. Op de noordelijke kavel verrees Groenewoude en op de zuidelijke kavel, die in 1442 in de lengte was gesplitst, de Daentgenshoeve.
Het huis werd ook 'Woudenberg genaamd Groenewoude' genoemd, om onderscheid te kunnen maken met het huis Woudenberg en met Nieuw-Amelisweerd, dat ook wel Groenewoude werd genoemd.

Bewoners/eigenaren van Ridderhofstad Groenewoude:
  • 1382 - 1416 Willem van Groenewoude
  • 1416 Jan van Groenewoude
  • 1453 - 1457 Johan van Groenewoude van der Aa
  • 1457 - 1474 neef Ernst Taets van Amerongen
  • 1474 - 1484 Johan Taets van Amerongen
  • 1484 Johanna Taets van Amerongen
  • 1566 Johan Taets van Amerongen
  • 1566 - 1573 Willem Taets van Amerongen
  • 1573 - 1617 Ernst Taets van Amerongen
  • 1617 broer Jacob Taets van Amerongen
  • 1643 Willem Taets van Amerongen
  • 1643 Maria Hondeling, weduwe van Dirck van Eck van Panthaleon
  • 1643 - 1655 Gerard van Eck van Panthaleon
  • 1655 - 1670 Bertram van Eck van Panthaleon
  • 1670 - 1671 Hendrik ]acob Tuyll van Serooskerke tot Zuylen
  • 1671 Mechteld van Reede, weduwe van Gijsbert van Hardenbroek
  • 1671 - 1682 Gijsbert Johan van Hardenbroek
  • 1682 Bartholomeus de Gruyter, burgemeester van Utrecht
  • 1682 weduwe Maria Specx
  • 1782 kleinzoon Bartholomeus de Gruyter
  • 1782 - 1836 kleindochter Gerarda Alexandrina Bols
  • 1836 - 1859 Hendrik DaniŽl Hooft

Eigenaren van de kasteelrestanten en koetshuis Ridderhofstad Groenewoude:

  • 1859- ca 1960 familie Hooft
  • ca 1960- 1976 familie Ravenhorst
  • 1976 - 1999 familie A. Hendrikse
  • 2000 - heden familie J. de Kruijff
Huidige doeleinden
Een witgepleisterd bouwhuis uit 1696 en een 18e eeuws inrijhek zijn de enige restanten van het kasteel.
Het wapen van dit kasteel, drie zwarte hanen met rode kammen op een gouden achtergrond, is nu het wapen van de gemeente Woudenberg.

Locatie
Het kasteelterrein en de oude fundamenten met het recent gerestaureerde koetshuis is gelegen aan de Ekris 42, 3931 PX Woudenberg