WOUDENBERG TOEN


Akte van schenking door de heer van Woudenberg aan een particulier van een goed te Zeist (vóór 1280)
Hic, Elias, de ridder, here van Woudeberge, do wirstaen alle dengenen de desen brief sulen horen ende sien, dat hic Lauuerens hebbe gegeven enen wrien egedom wan den gode ten Heykennebossce tusscen Didericke wiren Aleydensone ane d'ene side ende haren Godewart wan Seyst ende der wrouuen van Wrouuencloester an de ander side. Ende wat comber ende wat scade wan minen erfnamen ende wane mi jof wan mines broders kinder jof wan miner suster kinder jof wan mines omes kinder hem darof quame bavan rechte, dat sal hic hem op rechten ende wan den worgesegeden lande, so waer hic hem waer ende welde gelike minen buren. Ende hic hem hebbe gegeven den tiende, bede groet ende smal, tote ene erfpachte des jaers ombe dre scepel roggen bi miner mate hac dage na Sente Martensdage. War dat hi des niet en dade des [...] men's hem maende, so waer hi des pachtes quite. Dat wast ende stade si ende blive, dat orconde hic in desen briwe, gesegelt met minen segel ende met Jehans segel, mins sones, ende mit Philippes Spiringes segel, mines nevens.

Vroegste geschiedenis
Hoe de gemeente Woudenberg precies is ontstaan, is niet bekend. Maar dat we daarvoor terug moeten gaan tot de vroegste Middeleeuwen, is vrijwel zeker. In die tijd was bijna de hele Gelderse Vallei - het dal van de Eem en zijn beken in het oostelijk gedeelte van Utrecht - overdekt met bossen, struikgewas, venen en moerassen. De omgeving van Woudenberg wordt voor het eerst vermeld in een charter (‘oorkonde betreffende verleende rechten of vrijheden’) van Karel de Grote, gedateerd op juni 777. Daarin verklaart de latere keizer aan de St. Martinuskerk te Utrecht ten geschenke te hebben gegeven, het landgoed Hengistscoto (Henschoten), een gedeelte van het Westerwoud. De exacte locatie en grootte van dit Westerwoud is onbekend: alles wat we weten is, dat het zich uitstrekte op de plaats van de huidige Utrechtse Heuvelrug tot aan de Eem.
Middeleeuwen
Rond het jaar 1200 was Woudenberg weinig meer dan een kleine nederzetting op een open plek in het woud. Vanaf die tijd hebben monniken delen van dat bos ontgonnen en ook kwamen er geleidelijk aan boeren die zich bezighielden met landbouw en veeteelt. Woudenberg, van oorsprong een zogenoemd engdorp, is ontstaan op een plek die bij uitstek geschikt was voor het gemengd bedrijf. Een engdorp wordt gekenmerkt door boerderijen bij een centrale open ruimte (de zogenoemde ‘brink’) met een drinkplaats voor het vee. Daaromheen de ‘engen’, het bouwland, en vervolgens de wat vochtiger en lager gelegen gemeenschappelijke weide, de ‘meent’. Tenslotte daarachter de ‘maten’, de hooilanden, en op de stuwwal tenslotte het ‘veld’, de woeste gronden. Al deze gronden werden gemeenschappelijk gebruikt. Voorbeelden van naburige vroegere engdorpen zijn Maarn, Maarsbergen, Amerongen en Leersum.

Latere tijden
Het vroegere Hengistscoto is later door schenkingen en verkopen verbrokkeld. Na de Hervorming in dit gebied (eind 16e eeuw) kwam het, zoals alle kerkelijke eigendommen, in het bezit van de Staten van Utrecht. Later werd het gebied het eigendom van de familie De Beaufort. Momenteel maakt het gebied deel uit van N.V. Landgoed Den Treek-Henschoten. Woudenberg was, en bleef ook in latere eeuwen, een kleine, agrarische gemeenschap. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw waren akkerbouw (vanaf de vroegste tijden) en tabaksteelt (vanaf ca. 1750) belangrijke bestaansbronnen. Ter illustratie: in 1783 noemde 12 procent van de beroepsbevolking zich ‘tabakker’ en in 1810 was de verhouding tussen bouwland en weiland respectievelijk 2076 en 728 morgen (een morgen is een oude lengtemaat; de Gelderse morgen was 3128 m²). Na die tijd verdween de tabaksteelt en werd de akkerbouw meer en meer verdrongen door de veeteelt, als gevolg van de lage prijzen van buitenlandse tabak en graan.
Twintigste eeuw
De 20ste eeuw, vooral de tijd na de Tweede Wereldoorlog, heeft het gezicht van Woudenberg grondig veranderd: de bevolking groeide, het dorp werd beter bereikbaar, het verkeer nam explosief toe en nieuwe bestaansbronnen overvleugelden de oudere. Toch zijn de sporen van het verleden gelukkig niet overal uitgewist.

<<<